Periode dirigent M. Janssen

Onder de bezielende en krachtige leiding van de nieuwe dirigent Mathieu Janssen ging het korps een nieuw tijdperk van grote opbloei tegemoet. Het ledental nam toe en de oude instrumenten werden vervangen door nieuwe. Voor de eerste keer in de geschiedenis durfde men het aan op concours te gaan.
Op Pinksterzondag 8 juni 1930 toog een sterk verjongde fanfare naar Beek bij Nijmegen om daar deel te nemen aan een muziekwedstrijd, georganiseerd door “Kunst na Arbeid”.
Vantevoren was er in Stein om zes ‘s morgens een H.Mis opgedragen om muzikanten en supporters de kans te geven hun godsdienstplicht te vervullen.

Met vier grote bussen van onderneming Brouns werd de reis naar Beek gemaakt.

Men kwam uit in de tweede afdeling. Op het programma stond ‘Chants de Guerre’ als verplicht werk.

Als gekozen werk had St. Martin het stuk ‘Silvia’ genomen. Met een eerste prijs werd huiswaarts gekeerd. Een meegenomen postduif van W.van Mulken bracht omstreeks vijf uur in de namiddag het goede nieuws in Stein (“eerste prijs met twaalf punten over”). Aanvankelijk werd de boodschap gewantrouwd. Toen later nog een stel postduiven met hetzelfde bericht in Stein landden, raakte Stein in een feestroes. Kamerschoten verkondigden het goede nieuws. Om ongeveer acht uur ‘s avonds begaf zich een grote menigte naar het Keereind, waar muzikanten en supporters om ongeveer negen uur arriveerden. Namens het gemeentebestuur voerde wethouder Houben het woord. Ook ‘s maandags werd nog feest gevierd. Dit eerste muzikaal succes gaf nieuwe moed en inspiratie. Opnieuw werd er geoefend met als doel om in 1931 deel te
nemen aan een muziekconcours te Nijmegen, georganiseerd door Zangvereniging ‘Inter Nos’. Ditmaal werd in de eerste afdeling uitgekomen. Een jaar van intensieve voorbereiding leverde goede vruchten op. De Steinse muzikanten werden beloond met een eerste prijs (324 punten) met lof van de jury, terwijl dirigent Mathieu Janssen de ‘Directeursprijs’ in ontvangst mocht nemen. Het succes bleef in Stein niet onopgemerkt: Met speciale bulletins van de Limburger Koerier werd het goede nieuws bekend gemaakt.

De fanfare werd aan het station in Beek afgehaald.

Met de feestmars ‘Intocht der Gladiatoren’ trokken de muzikale helden Stein binnen. De Société had na bijna veertig jaar de weg naar het crescendo ontdekt.

Nieuwe zaal

De groei van de vereniging en de grote toeloop van belangstellenden bij de concert- en/of toneeluitvoeringen maakte de bouw van een grotere zaal noodzakelijk. Onder de leiding van voorzitter Jac op den Camp werd in 1930/1931 de nieuwe zaal aan de Kelderstraat gebouwd. Op Tweede Kerstdag 1931 vond de officiële opening plaats.
Deze werd verricht door burgemeester Bruysten, die eerder tot ere-voorzitter van de fanfare was benoemd. Hij nam ook de kosten voor zijn rekening van het optreden van een destijds bekende artiest, namelijk Den Dré van Ulvenhout.

Men kon trots zijn op deze eigen lokaliteit, het resultaat van eendracht en samenwerking.

De Maasband

Binnen de Steinse fanfare was met name de Maasband zeer goed vertegenwoordigd. Willem Berix, mede-oprichter en bestuurslid, had verschillende van zijn buurtgenoten de muzikale weg naar St. Martin gewezen. In totaal elf muzikanten van de Maasband bliezen hun partij mee in de vereniging. Het waren zijn zoon Pièr Berix, Willem Janssen, Sef Janssen, Caspar Janssen, Guus Janssen, Pièr Berix, Wim Berix, Martin Driessen, Leike Goossens, Cornelis Claassen en Willem Driessen.

Zo kon het gebeuren dat de voorzitter op een zomerse zondag in 1932 tijdens de repetitie voorstelde om in de namiddag een muzikale rondgang te houden. De gebroeders Op den Camp (die van Janne van Gierken) attendeerden de voorzitter op de grote inbreng van de Maasbanders binnen het korps. Zij stelden voor om ‘s middags een concert te verzorgen in de Maasband. Iedereen was het hiermee eens. Het nieuws werd direct doorgeseind naar café L. Goossens-van Mulken, ouders van het bovengenoemd werkend lid Leike Goossens.

Om vijf uur ‘s middags vertrok het gezelschap met muziek vanuit de zaal. De Maasbanders hadden ondertussen niet stil gezeten. Bij aankomst in de Maasband stonden de leden van de fanfare perplex. Ondanks de korte voorbereidingstijd was men er in geslaagd een kiosk te krijgen en stond het buffet reeds uitnodigend klaar. De entree had men vastgesteld op vijftig centen per persoon.

Het nieuws van het Maasbands weidefeest was reeds door de ‘belleman’ aan de Steinse bevolking bekend gemaakt.
Tant Marie, voor de Maasbandse muzikanten ‘De Mooder’ had al haar organisatorische talenten aangeboord. Het onverwachts Maasbands weidefeest werd een groot succes. De penningmeester zag met genoegen dat de vereniging met f 165,- werd gespekt. Voor zulk een kapitaal bedrag kocht men destijds vijf nieuwe bugels. Dit zijn typische blaasinstrumenten voor fanfares. De opbrengst van het buffet was bestemd voor de Maasbandse ‘jonkheid’.

Het afbreken en opruimen van de attributen duurde langer dan het opbouwen. De Steinse jongeren onder aanvoering van ‘De Mooder’ en echtgenoot Leike konden van de buffetopbrengst op St. Martinus-kermisdinsdag op stap gaan onder het motto ‘De rest vom Schützenfest’.

Het concours in Boxtel

Op dinsdag 31 januari 1933 werd tijdens een bijeenkomst van het korps besloten deel te nemen aan het muziekconcours te Boxtel.
Ditmaal werd in de afdeling ‘Uitmuntendheid’ uitgekomen.

Oorspronkelijk zou de fanfare op 5 februari 1933 een voordrachten- en duettenwedstrijd organiseren. Wegens bijzondere omstandigheden werd dit evenement uitgesteld. Of dit iets te maken had met de voorgenomen deelname aan het concours te Boxtel is niet bekend. Op 15 maart 1933 werd via het Sittardse streekblad ‘De Limburger’ bekend gemaakt welke muzieknummers zouden worden uitgevoerd.

Het verplicht werk was ‘Cortège Heroïque van A. Mahy. Als gekozen werk speelde men ‘Travail’ van M. Delmas. Op Pinksterzondag 4 juni 1933 speelden de Steinse muzikanten onder de leiding van dirigent Mathieu Janssen in totaal 380 punten bij elkaar. Het was het hoogste aantal van het concours en goed voor een eerste prijs met Lof der Jury. Tijdens dit concours deed nog een muziekkorps uit de regio mee: De fanfare St. Joseph uit Buchten behaalde een eerste prijs met 337 punten. Door dit eclatant succes rees de ster van dirigent Mathieu Janssen aan de Limburgse muzikale hemel. Ook buiten Limburg dwong Janssen respect en bewondering af.

De heer D. Speets, hoofdleraar aan het Amsterdamse conservatorium, jurylid te Boxtel, schreef de volgende brief aan ‘St. Martin’.

Mijne Heren,

Met voldoening heb ik een paar malen de fanfare ‘St. Martinus’ uit Stein (Limburg) hooren musiceren; de laatste keer op den 1sten Pinksterdag tijdens het internationaal concours te Boxtel waar zij met lof der jury den 1sten prijs in de afdeling Uitmuntendheid behaalde.

Ik stel er prijs op te verklaren dat deze fanfare over een bewonderenswaardige techniek beschikt. Niet alleen dat zij op genoemd concours voor deze rubriek het maximum aantal punten wist te verwerven, ook de reproductie naar het karakter der uitgevoerde composities, hetgeen als de quintessence van alle muzikale vertolking geldt, stond op hoog plan.

Het enthousiaste musiceren, plus de muzikale intelligentie van den leider, den heer M. Janssen, maakte het luisteren naar deze fanfare, die weldra haar 40-jarig bestaansfeest viert, tot een waar genot.

Moge, zij na haar achtste lustrum het ‘excelsior’ steeds blijven handhaven, tot veredeling harer leden en tot hooge muzikale cultiveering der gemeente Stein.

D. Speets

Hoofdleraar aan het Amsterdamsche Conservatorium

Amsterdam, juni 1933.

Ook in de pers werd veel aandacht besteed aan het grote succes van de veertig jaar oude fanfare. Het volgende artikel spreekt voor zichzelf:

Stein.

De fanfare bekroond.

Op Pinkster Zondag werd zoals reeds bekend, door de Kon. fanfare St. Martinus alhier, deelgenomen aan het muziekconcours te Boxtel en wel in de afdeling Uitmuntendheid. Weken lang was gerepeteerd onder de kundige leiding van hun directeur M. Janssen. De fanfare heeft niet teleurgesteld aan de verwachting. Ruim 80 muziek-enthousiasten vergezelden het 45 leden tellende korps en haar bestuur, deels per trein, deels per autobus, die met de grootste spanning den uitslag afwachtten. Een luid hoera-geroep klonk dan ook toen de jury bekend maakte, dat St. Martinus den 1sten prijs had behaald met 380 punten, het hoogste aantal van dien dag en met lof der jury.

De eerste gelukwensch was van de vergezellenden en vooral den directeur. Spoedig vloog het nieuws langs den draad naar Stein, waar eveneens de spanning was gestegen. Enkele minuten later meldden reeds de bulletins in de verschillende wijken der gemeente den uitslag. Dadelijk was dan ook alles in beweging. Vlaggen werden voor den dag gehaald; slingers en guirlandes met opschriften werden met kwistige hand opgehangen; in een ommezien was het dorp in blije feeststemming. Velen hadden gedacht, dat het sluitingsuur zou verlengd worden daar de fanfare pas met den laatsten trein om half twaalf in Beek-Elsloo zou aankomen, maar de mannen van de Hermandad, moesten hun plicht doen, daar ze geen nadere opdracht hadden gekregen en toen op 12 uur ook gelijk anders de straatverlichting uit ging, verkeerde het dorp in een Egyptische duisternis. Toen de fanfare aankwam was zij vergezeld van een groote menigte met verlichte ballons, zak- en fietslantaarns, terwijl autolichten ook ‘t hunne bijdroegen.

De fanfare werd bij aankomst aan het station Beek-Elsloo dat smaakvol versierd was en verlicht, gelukgewenscht door den stationschef namens de spoorwegen en deze bood directeur en bestuur bloemen aan door de fanfare van Elsloo bij monde van dhr. Frederiks. Door wien eveneens bloemen werden aangeboden en verder door de talrijk saamgestroomde
menigte. De directeur werd op de handen gedragen en met luide hoera’s begroet. De president, dhr. Op den Camp, dankte voor de gulle ontvangst, waarna de stoet trok naar de gemeente, waar weer velen langs den versierden weg hun hulde betoonden.

In de versierde fanfare-zaal werden nogmaals hartelijke wenschen geuit, waarna een dankwoord van den president en keerde men huiswaarts. Maandagmorgen werden nog meer versieringen aangebracht en trok de vereeniging onder muziek door het dorp, nadat de directeur was afgehaald. Tot sluitingsuur heerschte dan ook een echte feeststemming. Stein heeft ook ditmaal weer getoond mee te leven met zijn fanfare. Nog dient vermeld te worden dat de fanfare sedert vier jaar dat deze onder de directie staat van dhr. Janssen, reeds drie maal met den 1sten prijs en met lof l maal met den dir.-prijs bekroond werd.

Het 40 jarig jubileum

Door dit grote muzikale succes kon het veertig-jarig bestaansfeest niet meer stuk. Het jubileumfeest vond plaats op zondag 25 juni 1933 en werd gevierd met een muziekfestival. Traditiegetrouw werd geopend met een plechtige Hoogmis in de parochiekerk uit dankbaarheid. Penningmeester Hub Coumans vierde op dezelfde dag zijn veertig-jarig lidmaatschap. Hiervan was hij de laatste 29 jaar secretaris of penningmeester van de vereniging geweest. De in totaal 44 leden van de fanfare vierden een jubileumfeest dat niet alleen financieel was geslaagd. Er meldden zich ook een aantal nieuwe muzikanten aan.

Naar Heythuijsen

De drang naar prestatie manifesteerde zich weer in 1935:

Men besloot opnieuw op concours te gaan. Op zondag 19 juli 1936 nam het korps deel aan het internationaal muziekconcours te Heythuijsen, georganiseerd door harmonie L’Union. Met 44 werkende leden en een groot aantal supporters gaf St.-Martin in Heythuizen haar visitekaartje af.

De talrijke repetities werden weer met groot succes bekroond want in de Ere-afdeling werd een eerste prijs met lof der jury behaald. Het aantal behaalde punten was 323. Verder werd de Ere-prijs met 49 1/2 punten in de wacht gesleept en ‘last but not least’ de directeursprijs met 48 1/2 punten.

De volgende muziekstukken werden uitgevoerd: ‘Grande marche du Cinquantenaire’ van Edm. Godoit en ‘Fête de Nuit’ van K. Deneuf-Boer. In de Ere-wedstrijd werd de ‘Ouverture Francaise’ van L. Keijnaud ten gehore gebracht. De hieropvolgende dag was Stein in feeststemming.

De Tweede Wereldoorlog

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog met de inval op 10 mei 1940 van de Duitsers in Nederland had op den duur ook nadelige gevolgen voor de fanfare.

Het verenigingsleven werd steeds meer aan banden gelegd. Bij de vele ‘hervormingen’ die de bezettingsoverheid invoerde hoorde ook de zogenaamde ‘Kulturkammer’. Ook St.-Martin weigerde in 1942 zich hierbij aan te sluiten. Besloten werd tot ontbinding van het muziekkorps over te gaan. In het geheim bleef de vereniging voortbestaan. Muziekrepetities of optredens naar buiten waren vanzelfsprekend uit den boze. Het 50-jarig jubileum in 1943 kon zodoende niet worden gevierd.

In deze benarde tijd zorgde de fanfarezaal voor de nodige problemen. Zoals eerder vermeld werd deze zaal in 1931 gebouwd. De bouwkosten van ƒ13.200,- waren slechts ongeveer voor de helft afgelost. Het restant van de schuld bedroeg nog ƒ 6.700,-.

Diverse bestuursleden bleken aandeelhouder van de fanfarezaal te zijn. De groeiende onzekerheid over de geldontwaarding had tot gevolg dat een meerderheid binnen het bestuur koos voor het eigen financieel belang. Dit ondanks ingewonnen adviezen bij de Centrale Boerenleenbank te Eindhoven.

Besloten werd de fanfarezaal onderhands te verkopen aan de firma Bouts en Putzeist uit Geleen, eigenaar van het Roxy-theater aldaar. Een en ander tegen voor de fanfare zeer gunstige voorwaarden en erfdienstbaarheden.

De bevrijding

Op 18 september 1944 werd Stein door het negende Amerikaanse leger bevrijd.
De fanfarezaal werd gebruikt om de bevrijder in te kwartieren. Deze inkwartiering bleek later nadelig voor de fanfare te zijn geweest. Maar liefst
acht instrumenten, een trom en een tamboerijn bleken later vermist te zijn. Vermoedelijk waren deze meegenomen door de geallieerde militairen. Dit was een flinke financiële klap, temeer daar hulp van gemeentewege niet direct te verwachten was.

Na de bevrijding van geheel Nederland kon de fanfare pas de totale balans opmaken. De gelederen van de vereniging waren niet gesloten en er waren financiële problemen. Verder had de verkoop van de zaal tijdens de oorlogsjaren tweespalt tussen verschillende groeperingen binnen het korps teweeggebracht.

Niemand van de partijen was in staat de juiste woorden te vinden om elkaar te overtuigen van de noodzaak juist nu het fanfare-belang te dienen.

Gezworen vrienden werden onverzoenlijke vijanden. Er was geen basis van vertrouwen meer aanwezig. De toneelvereniging ‘De Verenigde Vrienden’, tot nu een onderdeel van de fanfare, zag door de verkoop van de fanfarezaal haar doel verloren gaan, namelijk het verwerven van gelden voor de instandhouding van de eigen fanfarezaal. Teleurgesteld over deze gang van zaken ging de toneelafdeling zelfstandig verder met een eigen bestuur onder de naam ‘Vondel’.

Ten gevolge van onoverbrugbare verschillen moest in allerijl worden overgegaan tot een grondige reorganisatie van het korps met een nieuw, verjongd bestuur. Binnen dit bestuur werden taken verdeeld. In dit nieuwe bestuur keerde penningmeester Huubke Coumans niet meer terug. Hij trad op 25 januari 1946 af als penningmeester. Zijn zonen en de overige familieleden volgden zijn voorbeeld en verlieten het korps. Een van de andere leden, Jos Janssen (Sef van Pitte) werd gevraagd de opleiding van jonge muzikanten op zich te nemen.

Een nieuwe generatie trad aan. Sef bezat de inzet en de takt om met deze jeugd om te gaan. Het ledental van St.-Martin groeide weer. Ook P. Janssen koos voor het belang van de fanfare. Hij liet het verenigingsbelang prevaleren boven de familiebelangen. Voor de tweede keer in zijn lange carrière bij St.-Martin maakte hij in een belangrijke periode van de vereniging een juiste keuze.

Het 55-jarig bestaan

In plaats van het gouden bestaansjubileum, dat noodgedwongen gedwongen niet in 1943 kon worden gevierd, vierde St.-Martin haar 55-jarig bestaan op Hemelvaartsdag 6 mei en zondag 9 mei 1948. Ter gelegenheid hiervan werd ook een feestgids uitgegeven.

Diverse commissies moesten er voor zorgen dat het feest geheel volgens programma verliep. Om tien uur ‘s morgens werd het feest geopend met een Hoogmis in de St.-Martinuskerk. Van 11.30 tot 12.30 uur recipieerde een trots bestuur en vanaf 15.30 uur werden de deelnemende zusterverenigingen ontvangen in de feestweide aan de Kruisstraat.

Op Hemelvaartsdag gaven acht korpsen acte de présence op het muziekfestival. Het waren de harmonie Aurora Grevenbicht, fanfare Juliana Munstergeleen, fanfare De Maasgalm Elsloo, fanfare St. Caecilia Geulle, fanfare St. Martinus Urmond, harmonie St.Caecilia Grevenbicht, fanfare St. Martinus Geulle en harmonie St.Caecilia Geleen.

Op zondag 9 mei concerteerden of zongen ‘St.-Martin’ Stein, fanfare St. Callistus Neerbeek, fanfare St.Augustinus Lutterade, fanfare St.-Joseph Meers, zangvereniging Beeker Liedertafel Beek, zangvereniging Zanglust Geleen en harmonie St.-Caecilia Beek. Nooit eerder had Stein een grootser feest meegemaakt.

In 1949 werd het Steins muziekkorps uitverkoren om in Hilversum een radio-concert te verzorgen. Een bewijs dat het korps weer op een hoog muzikaal niveau was gekomen. Het concert werd in 1950 gegeven. Een eerste aanzet tot uniformering was de aanschaf van uniformpetten. Vooral op de jeugdige leden had dit een stimulerende invloed. Vele jonge adspirant-muzikanten meldden zich. Leraar Sef Janssen had zijn handen vol werk met de opleiding.

Er ontstond een gezonde naijver onder de jeugd. Solistenconcoursen en andere muzikale activiteiten verhoogden de kwaliteit.

Voorzitterswisseling

In 1949 kwam de fanfare in onverwachte problemen vanwege het feit dat St.-Martin op een bepaalde dag aan een muziekfestival in Geleen deelnam en er in Stein zelf een wielerronde was georganiseerd. Toen het korps aantrad op het Geleens concertpodium moest dirigent Mathieu Janssen constateren dat maar liefst twaalf muzikanten afwezig waren. Men hoefde niet te raden waar deze toen wél waren. Dirigent Janssen was uiteraard zeer verbolgen over deze grote absentie. Hij eiste van het bestuur strenge maatregelen tegen de twaalf afwezigen. Het bestuur zat met deze kwestie danig in zijn maag. Ten overstaan van dirigent, bestuur en leden werd de gewraakte absentie aan de kaak gesteld. Voorzitter Jacob op den Camp, reeds vanaf 1928 leidsman van St.-Martin, kreeg zware kritiek te verduren. Van de ene kant werden er strenge maatregelen geëist, terwijl van de andere kant deze onpopulaire terechtwijzingen door een aantal werkende leden niet werden genomen.

Jacob op den Camp trok zijn conclusie en stelde zijn voorzittersfunctie ter beschikking. Binnen het bestuur werd gemeente-secretaris H. Aarts aangezocht als zijn opvolger en voorgedragen aan de leden. Tijdens de ledenvergadering van 3 juli 1949 werd zijn benoeming bekrachtigd. Hij kreeg 28 van de 42 uitgebrachte stemmen.

Het W.M.C-Kerkrade in 1951

Na het geslaagde radio-concert trok St.-Martin de stoute schoenen aan en werd besloten deel te gaan nemen aan het eerste Wereldmuziekconcours te Kerkrade. Een niet alledaags besluit, dat ook financiële consequenties kende. Onder leiding van de latere voorzitter Harie van Mulken werd voor dit doel een instrumentenfonds opgericht. Allerlei activiteiten werden georganiseerd, zoals loterijen, balavonden, kaartconcoursen, Indische kunsttentoonstellingen, schietconcoursen, enzovoorts. Het was voor het eerst dat beroepsmuzikanten, amateurmuzikanten en een combinatie van beiden door een jury werden beoordeeld.

St.-Martin moest het opnemen tegen gerenommeerde korpsen uit Engeland, Oostenrijk, Spanje en de Verenigde Staten van Amerika, allemaal gebrand op succes. De jury bestond uit Stoltz (Oostenrijk), Andriessen (Nederland) en Frank Wright (Engeland). Dit trio had de niet benijdenswaardige taak om over een periode van eenendertig dagen dezelfde maatstaf te moeten hanteren bij de beoordeling van alle deelnemende korpsen. De 42 Steinse muzikanten onder de bezielende leiding van dirigent Mathieu Janssen hadden vier werken ingestuurd. Het waren:

  • Cyrca Ballet Mare Delmas Fantasie van H.Fernand;
  • Tarass Boulba van Pierre
    Dupont;
  • Introductie en Polonaise van G.Boedijn;
  • Academic Festival
    Ouverture van J. Brahms.

Een programma dat was ingestudeerd door een fanfare met ongeveer zestig procent jeugdige muzikanten, die met de resterende veertig procent geroutineerde muzikanten met hun verworven techniek en klank een hechte eenheid vormden. De solist, nog in korte broek, was welgeteld veertien jaar oud.

Uit de vier ingestudeerde werken kon de jury er twee uitkiezen. Het werden het Cyrca Ballet Mare Delmas Fantasie en de Academie Festival Ouverture. De internationale jury kende op dit eerste W.M.C, in Kerkrade 273 punten toe aan de Steinse St.-Martin. Dit was goed voor een tweede prijs. Aanvankelijk was men teleurgesteld over het resultaat. Men had meer verwacht. Terug in het versierde verenigingslokaal kwam men tot de conclusie dat wél iets was gepresteerd. Men stond verbaasd over de feeststemming die onder de Steinse bevolking heerste. Een week lang werd er feest gevierd. Gestimuleerd door het succes ging dirigent Janssen door met het in de praktijk toetsen van zijn ideeën. Nieuwe concertwerken werden ingestudeerd. Oudere muzikanten besloten plaats te maken voor jongere en beter opgeleide collega’s. Vanwege hun verdiensten werden ze benoemd tot erelid.

De twee oudste werkende leden, Peer Schepers en Mathieu Goossens, beiden trombonist, stelden in die periode dirigent Janssen het volgende voor:

"Dirigent, als U de goede delen van ons beiden kunt samenvoegen of enten op elkaar, houdt U één goede muzikant over."

Janssen gaf hierop als antwoord:

"De wil is goed, maar het vlees is te zwak."

Peer Schepers was namelijk slecht ter been, maar bezat nog een goed stel longen. Mathieu Goossens daarentegen was nog zeer goed ter been, maar kampte met ademhalingsmoeilijkheden. Twee steunpilaren van de vereniging, van wie de namen onverbrekelijk met St.-Martin blijven verbonden.

Concoursen in Horst en Valkenburg

Een jaar na Kerkrade glorieerde de fanfare in Horst. Op het bondsconcours, gehouden op zondag 29 juni 1952, werd in de Superieure afdeling deelgenomen. Het verplicht werk was ‘Marche Troyenne’ van H. Berlioz in een arrangement van July. Als keuzewerk werd vertolkt ‘Introductie en Polonaise’ van Gerard Boedijn. De 44 Steinse muzikanten bliezen maar liefst 329 punten bij elkaar, goed voor een eerste prijs met lof van de jury. Later bleek dit het hoogst aantal punten te zijn van alle in dat jaar in Limburg gehouden bondsconcoursen.

De door H.M. de Koningin geschonken medaille voor het hoogste aantal punten op dit concours werd zodoende door Stein veroverd. Hierdoor werd St.-Martin afgevaardigd naar de landskampioenschappen van de R.K. Federatie van Muziekgezelschappen in Nederland. Deze werden gehouden te Valkenburg op zondag 28 september 1952.

Buiten de twee eerder uitgevoerde werken van Berlioz en Boedijn werd het keuzewerk ‘Atona’ van L. Langlois ten gehore gebracht.

Op dit concours haalde men 316 1/2 punt. Dit betekende weer een eerste prijs met lof van de jury. De fanfare werd echter geen landskampioen. De titel werd behaald door Nieuwenhagerheide, ondanks het feit dat dit korps in 1952 niet aan een bondsconcours had deelgenomen. Een merkwaardige beslissing van het toenmalige bondsbestuur.

Het Diamantenfeest

Het zestigjarig bestaan van de vereniging ging niet onopgemerkt voorbij. Dit werd gevierd op 20, 21 en 28 juni 1953. Het programma omvatte onder andere:

  • een officiële ontvangst door het College van B& W
  • een galaconcert door het muziekkorps Staatsmijn Maurits
  • de traditionele hoogmis, waarna receptie in de fanfarezaal
  • een ontvangst van de deelnemende verenigingen in de feestweide aan de Keerender Kerkweg.

Vervolgens waren er optredens van onder andere: Aurora Grevenbicht, St. Cecilia Grevenbicht, St. Joseph Meers, De Maasgalm Elsloo en St. Martinus Geulle. Het bestuur was toen als volgt samengesteld:

H. Aarts, voorzitter; H. Schepers, secretaris; P. Janssen, penningmeester en de bestuursleden M. Cremers, J.W. Driessen, M. Gorissen, J. Houben en H. van Mulken.

Het concours in Stein

In 1954 werd door de Limburgse Bond van Muziekgezelschappen aan St.-Martin de organisatie van een bondsconcours toevertrouwd. Evenals destijds in 1952 te Horst vond het concours in de open lucht plaats. Het concoursterrein was het kasteelpark van de paters Missionarissen van het Heilig Hart. Deze hadden hun park hiervoor belangeloos ter beschikking gesteld.

De muziekkiosk was regenvrij gemaakt. Voor het publiek waren echter geen voorzieningen getroffen. Zondag 6 juli 1954 was een regenachtige dag. Van ‘s-morgens tot ‘s avonds bleef het nat. De organisatie was perfect. Het financieel resultaat was allesbehalve bevredigend.

Het concours in Luxemburg

Een hoogtepunt in de muzikale geschiedenis van het korps was ongetwijfeld de deelname op zondag 5 juni 1955 aan het internationaal concours van de ‘Union Grand DucAdolphe’ te Luxemburg. Dit "Concours International de chant et de musique Ville de Luxembourg" vindt sinds 1886 jaarlijks plaats.

De uitverkiezing om hieraan deel te nemen was op zich zelf reeds een onderscheiding.

De jury bestond uit bekende persoonlijkheden uit de muziekwereld, afkomstig uit verschillende landen. Diverse verenigingen uit Luxemburg, België, Duitsland, Frankrijk en Nederland namen aan dit concours deel. Het gaf een duidelijk beeld van het hoge peil van dit concours. Het gebeuren werd door de Steinse muzikanten ingevuld met het verplicht werk ‘Variations Symphonic’ van Paul Gilson met als keuzewerk ‘La Forza del Destino’ van Verdi. Het tweede keuzewerk was ‘II Guarani’ van Gomez. Met 120 van de 120 te behalen punten gaf St.-Martin duidelijk blijk van haar muzikaal kunnen. Voor de eerste keer in de geschiedenis van het in 1886 ingestelde concours lukte het de Steindenaren om het maximum aantal punten te behalen.

Citaat uit een krantenartikel:

"In de instrumentale afdelingen van het concours was het Limburgse succes niet minder opzienbarend. De fanfare ‘St.-Martinus’ uit Stein slaagde er, onder stormachtige bijval van een internationaal publiek van muziekkenners, zelfs in de concours-wedstrijd het maximum van 120 punten te verwerven. Een totaal dat door geen der andere harmonieën of fanfares werd bereikt. De jury sprak haar speciale gelukwensen uit met deze zeer goede uitvoering. Zij vond het resultaat des te opmerkelijker omdat het korps grotendeels uit jonge krachten bestond. Dit liet zij de dirigent Mathieu Janssen en het bestuur nog eens extra weten".

Als extra toegift concerteerde het korps omstreeks acht uur ‘s avonds op het marktplein van het schilderachtige stadje Diekirch. Met een bloemenhulde werd het concert beëindigd. Tevens werd de fanfare uitgenodigd om nogmaals een concert in Diekirch te geven.

De thuiskomst van de succesvolle fanfare werd een ware zegetocht. Schutterij St.-Joseph, het fluitenkorps DES en zelfs de Urmondse fanfare St.-Martinus brachten muzikale hulde aan de winnaars.

In hetzelfde jaar 1955 vonden op 13, 14 en 15 augustus festiviteiten plaats in het kader van de feestelijke heropening van de Steinse gemeentehaven. De organisatie hiervan was in handen van de fanfare. De opbrengst kwam ten goede aan de verenigingskas.

Extra inkomsten waren ook wel nodig, want men had het plan opgevat om het korps te uniformeren. Grote animator hiervan was met name voorzitter Harie Aarts.

Het bestuur stond hier voor honderd procent achter. Door de grote inzet van de voorzitter en zijn relatie met de directie van het confectiebedrijf Macintosh kwamen de uniformen er onder voor de fanfare zeer gunstige voorwaarden.

Het idee voor de uniformen kwam uit de vereniging. In nauw overleg met het confectiebedrijf werd dit verder uitgewerkt, zodat in 1956 het korps volledig geüniformeerd was. De muzikanten gingen gekleed in een zwarte broek met een gouden bies, een witte koppel, een zilvergrijze jack met daarover een mantel welke van buiten wijnrood was en van binnen zwart gevoerd. Een zwarte baret met witte pluim en gemeentewapen completeerde het uniform. De fanfare presenteerde zich tijdens de Sacramentsprocessie in juni 1956 voor het eerst aan de Steinder bevolking. Het bestuur werd eveneens in gepaste kledij gestoken.

Voorzitterswisseling

Voorzitter Aarts kon zijn drukke ambtelijke werkzaamheden als gemeente-secretaris van het steeds groter wordende Stein en zijn voorzitterschap van de Woningvereniging Stein niet meer combineren. Omdat hij zijn voorzittersfunctie van de fanfare niet op halve kracht wilde uitoefenen, bedankte hij voor het bestuur. Ook de bestuursleden Willem Driessen, Mathieu Cremers en Mathieu Gorissen gaven te kennen hun lidmaatschap te willen beëindigen. Hierdoor werd het bestuur behoorlijk uitgedund en ontstond er min of meer een bestuurscrisis.

Vier bestuursleden bleven aan het roer, te weten penningmeester Pier Janssen, Harie van Mulken, de toenmalige havenmeester Tonie Hermans en Ben Stortelder. Zij bleven niet werkloos toezien, waardoor in september 1957 aan de algemene ledenvergadering een voordracht werd gedaan voor acht nieuwe bestuursleden. Deze kandidaat gestelde personen waren Sjeng Gorissen, Lei Blonden, Harie Schepers, Harie Houben, Peter van Mulken, W.Smeets, P.Janssen en P.Theewessem. Tijdens de ledenvergadering van 29 september 1957 werden zij allen gekozen tot bestuurslid. In genoemde ledenvergadering adviseerden de werkende leden Mathieu van Mulken en Leike Goossens om bestuurslid Harie van Mulken voor te dragen als nieuwe voorzitter van St.-Martin.

Dit voorstel werd door het bestuur overgenomen en in stemming gebracht tijdens de ledenvergadering van 27 oktober 1957. Met een grote meerderheid (32 van de 34 stemgerechtigden) werd bestuurslid Harie van Mulken benoemd tot voorzitter.

65-jarig jubileum

Een van de eerste taken van het bestuur was om de enigszins vertroebelde verhoudingen met de zustervereniging St.-Joseph uit Meers te normaliseren. Dit initiatief werd door het bestuur van St.-Joseph zeer gewaardeerd. Hun markante voorzitter Harie Wijnen aanvaardde deze handreiking met de mededeling dat zijn korps bereid was deel te nemen aan de festiviteiten rondom het 65-jarig jubileum van St.-Martin in 1958.

Dit dertiende lustrumfeest werd georganiseerd in een feesttent op een door de familie Keulers-Vaessen gratis ter beschikking gestelde feestweide aan de Steskensstraat. Het werd een acht dagen lang durend feest, dat duurde van 28 juni tot en met 5 juli 1958. Uiteraard werd veel aandacht aan de muziek besteed.

Namens de Steinse gemeenschap werd door het organiserend comité een gebatikt vaandel aan de fanfare aangeboden. Dit was ontworpen en vervaardigd door een van de paters van het Steinse Missiehuis c.q. Kasteel. Het optreden van St.-Joseph uit Meers bracht veel publiek op de been. Een waardig slot van een geslaagd lustrumfeest.

Het concours in Einighausen

De op lauweren beluste fanfare onder leiding van haar eminente dirigent Mathieu Janssen nam op 7 augustus 1960 deel aan het grote bondsconcours in Einighausen.

Na een grondige voorbereiding en met veel enthousiasme betraden de Steinse muzikanten het podium van de concourstent. Als verplicht werk was het in 1958 gecomponeerde ‘Sunset Rhapsodie’ van Eric Ball ingestudeerd. Het gekozen muzieknummer was ‘Marche Fantasque’ van Jos Moerenhout.

Met deze twee werken schreef Stein in 1960 muziekhistorie. Weer behaalden de Steinse virtuozen met een puntental van 334 het hoogste aantal punten van het concours in Einighausen én de drie gehouden bondsconcoursen in Limburg.

Het jurylid C.J. Langefeld plaatste naast de 110 punten die door hem werden toegekend de volgende opmerking:
‘een zeer goede vertolking. Niet schrijven maar prettig luisteren. Bravo dirigent.’

De heer Martin Kockelkorn kende zelfs 114 punten toe en merkte op: ‘een mooie muzikale uitvoering. Beschaafde en warme fanfareklanten! Bravo!’

De heer P.H. Laro: ‘zeer knappe vertolking, zeer doorzichtig en zeer muzikaal! Mijn compliment voor dit mooie orkest en de dirigent’.

Gezamenlijk gaven ze gedrieën hun complimenten als volgt weer: "Met kop en schouders stak de laatste vereniging in deze afdeling, de fanfare St.-Martinus uit Stein, boven de rest uit. Zowel het verplicht werk de ‘Sunset Rhapsodie’ van Eric Ball als het keuzewerk ‘Marche Fantasque’ van Jos Moerenhout kregen een even knappe als buitengewoon muzikale vertolking, waarbij ieder facet getuigde van grote zorgvuldigheid en grondige beheersing.

De geproduceerde klank was steeds uitermate beschaafd, warm en rijk geschakeerd. Een enkel klein vlekje was er wel, b.v. op het terrein van de zuiverheid en klankverhouding, maar van zo een geringe importantie dat dit vrijwel te verwaarlozen was. Opvatting en tempt mochten in één woord meesterlijk genoemd worden. Een apart compliment voor dit mooie fanfare-orkest (met zijn vele jeugdleden) en zijn bekwame en muzikale dirigent is dan ook hier op zijn plaats.

Eerste prijs en lof van de jury, 167 + 167 = 334 punten. De jury Langefeld, Kockelkorn, Laro."

Door dit schitterend resultaat viel St.-Martin de eer te beurt om als sluitstuk van het concours het Wilhelmus te spelen, beluisterd door ongeveer 1500 aanwezigen.

Landskampioen

Vanzelfsprekend werd St.-Martin door de Limburgse Bond afgevaardigd naar de nationale kampioenschappen te Deventer op 20 november 1960.

Als verplicht werk moest ‘Willem van Oranje’ van Kors Monster worden ingestudeerd en dat binnen een tijdsbestek van nauwelijks drie maanden. Op 19 november 1960 namen reeds divere korpsen aan de kampioenswedstrijden deel. Zo ook een oude rivaal van Mathieu Janssen, Math Ruyters, met de fanfare uit Hulsberg die op de eerste concoursdag 330 punten bij elkaar hadden geblazen. Dit korps stond zodoende aan de leiding.

Voor het vertrek uit Stein sprak de veldheer Janssen zijn manschappen toe met de volgende, alleszeggende woorden:

"Jongens, wij laten ons niet afschrikken door 330 punten. Het zijn er heel veel, maar niet alles; 360 punten zijn er te behalen!"

Diegenen die getuigen waren van de nerveuze gedragingen achter de coulissen voordat de fanfare het podium in Deventer beklom, kunnen niet anders dan hun hart hebben vastgehouden. Het was echter een van de oudere fanfareleden, een ‘volbloed’ met een gezond boerenverstand, die onzekerheid wist om te vormen tot dapperheid. Mét de muziekmap in zijn linkerhand en de tuba over zijn rechter schouder doorbrak hij alle stilte.

"Wat staan we hier te schutteren. Vooruit kom op en dran."

Dat was Sjeng Houben op z’n best. Hij was de eerste van de 46 die het podium betrad en alle spanningen doorbrak. Na het inspeelnummer van Benedicamus Domine’ was het ijs gebroken. Het applaus dat volgde op de vertolking van ‘Willem van Oranje’ van Kors Monster, deed de Deventer schouwburg op zijn grondvesten daveren. Hoe uitbundig het publiek, de jury en de pers waren na het volbrengen van de ‘Vijf Epigrammen’ van Gerard Boedijn moge blijken uit navolgende opmerkingen van de jury in het juryrapport:

De Klerk: Alle respect voor deze evocatieve interpretatie, geen opmerkingen. Bravo!

Henk Badings: Voortreffelijke prestatie waarvoor ik mijn hulde uitspreek voor dirigent en spelers.

Henry Arends: Zeer muzikale, klankschone uitvoering.

De componist van ‘Willem van Oranje’, Kors Monster, reageerde in een persoonlijk schrijven aan dirigent Janssen als volgt:

"Het moet voor u een bijzondere vreugde zijn een orkest te bezitten dat dusdanig op uw orkestpedagogie en orkestleiding kan reageren dat een dergelijk resultaat ontstaat."

Het dagblad ‘De Limburger’ publiceerde onderstaand, letterlijk overgenomen artikel:

"Fanfare ‘St.-Martinus’ van Stein record-houdster landelijke bond.

In de annalen van de bijna 68-jarige fanfare St.-Martinus van Stein behoorde de 27 november 1960 eigenlijk met Gouden letters te worden opgetekend. Op deze dag trok directeur Mathieu Janssen met zijn muzikanten naar Deventer waar de beste harmonieën en fanfares in het strijdperk traden voor de kampioenschappen van de R.K. Federatie van Diocesane Muziekbonden in Nederland. In de hoogste afdeling, de Superieure, wisten de muzikanten van Stein niet alleen beslag te leggen op de Oranje wimpel. St.-Martinus wist daar in Deventer ook het hoogste aantalpunten bij elkaar te blazen dat ooit door een harmonie of fanfare op deze jaarlijkse landelijke wedstrijd van deze katholieke federatie werd behaald. Het record dat met 347 punten op naam stond van Thorn werd daarmee gebroken. Toen de fanfare van Stein aan de beurt van optreden was en de eerste muzikanten het grote, hel verlichte podium betraden, werd er in de zaal gezegd: ‘Ja maar dat is een jeugdkorps. Hoe durft dat in de Superieure Afdeling uit te komen?’

Al is de fanfare in 1893 geboren uit de zangvereniging ‘De Rijzende Hoop’, zij bezit thans een groot aantal leden van jeugdige leeftijd.

President Harie van Mulken, geholpen door zijn 14-jarige zoon Willie, die de muziektamboer van het korps is en bijna evenveel van de fanfare afweet als zijn vader, de bezielende president, heeft voor ons uitgerekend dat de gemiddelde leeftijd van de 48 muzikanten rond de 23 jaar ligt. Men kan gerust stellen dat de fanfare van Stein zich de laatste jaren belangrijk verjongd heeft en een groot aantal jongens heeft weten aan te trekken.

Dat is ook de reden waarom Mathieu Janssen, die sinds 1929 de dirigeerstok in Stein hanteert en deze heeft overgenomen van zijn vader organist H. Janssen die 21 jaar muzikaal leider van St.-Martinus is geweest, de laatste jaren met zijn korps niet aan een concours heeft deelgenomen. Hij besloot niet eerder aan een concours deel te nemen, vooraleer de nieuwe jeugdige muzikanten een feilloze partij wisten te blazen. Nauwelijks klonken de eerste rijke en zuiver in toom gehouden klanken uit het koper van de Steinder muzikanten, of het werd stil in de grote zaal in Deventer, waar tussen het talrijke publiek een grote groep supporters uit het oude Maasdorp met kloppend hart naar het podium zat te staren, waarop Mathieu Janssen voor zijn muzikanten stond. Rustig en zeker van zijn zaak.

Niemand durfde een woord tot zijn buurman te spreken noch burgemeester R.Gorten, ere-voorzitter van het korps noch beschermheer Dr. A.A.J. Govaert noch president Van Mulken en andere bestuursleden en de oude getrouwen van de fanfare Peer Schepers en Frans en Sjeng op den Camp.

Lof van componist.

Toen St. Martinus het podium verliet na een magnifieke vertolking van ‘De 5 Epigrammen’ van Gerard Boedijn en het moeilijke werk ‘Willem van Oranje’ van Kors Monster liep de componist Boedijn naar directeur Janssen toe, zijn beide handen grijpend: ‘Zo heb ik mijn werk nog nooit horen spelen’.

Aan de jury-tafel schreef het jury-lid De Klerk die de fanfare voor de uitvoering van dit werk 60 van de maximaal 60 punten royaal toekende op het formulier "Geen opmerkingen. Bravo! Hulde aan de dirigent".

Mathieu Janssen had met zijn muzikanten een topprestatie geleverd en zijn naam als topfiguur onder de Limburgse dirigenten opnieuw bevestigd. Behaalde hij niet met de fanfare ‘De Maasgalm’ van het nabije Elsloo drie jaren achter elkaar de Oranje kampioenswimpel? Het wordt daarom hoog tijd dat zijn grote verdiensten ook een landelijke erkenning krijgen in deze vorm dat Mathieu Janssen met een van zijn muziekkorpsen mag optreden op het komende Holland-Festival. En na het succes van Deventer kan dat geen ander korps zijn dan de fanfare St-Martinus uit Stein die een record aantal punten wist te behalen.

Het succes van Deventer is natuurlijk niet alleen toe te schrijven aan directeur Mathieu Janssen, maar ook aan de muzikaliteit, het enthousiasme en de opoffering van de 46 leden en aan de activiteiten van het bestuur president H. van Mulken, vice-president B. Stortelder, secretaris L. Blonden, penningmeester P. Janssen en de commissarissen W. Smeets, P. Janssen, J. Gorissen, H. Houben, H. Schepers en A. Hermans.

In het maandblad St. Caecilia van de R.K. Federatie van Muziekgezelschappen in Nederland werden de volgende woorden gewijd aan het Steins optreden in Deventer:

"In aanmerking genomen de tegenwoordige vernieuwingen en strevingen op het gebied van verantwoorde repertoire-vorming kan men de verwerving van de Oranje Kampioenswimpel zoals de fanfare St. Martinus dat zo overtuigend deed, namelijk met superieure vertolking van twee hedendaagse composities, niet hoog genoeg aanslaan."

Ook het Limburgs Dagblad liet zich niet onbetuigd en maakte met grote krantenkoppen melding van dit eclatant succes.

Wimpel

Op 20 januari 1961 vond in de fanfarezaal de uitreiking van de kampioenswimpel plaats door de voorzitter van de R.K. Federatie dr. G. Sweens in het bijzijn van secretaris Van Dongen en de voorzitter van de Limburgse Bond van Muziekgezelschappen de heer W.Scheelen. Een gastvrij onthaal viel dit gezelschap ten deel. Een gezellig samenzijn besloot deze avond. Het was nu de taak van het bestuur om met dirigent en leden het peil te handhaven.

Nieuwe uniformen

Met enthousiasme werd in 1961 de jaarvergadering gehouden op het Wilhelminaplein bij ‘Thei de Bekker’. Tijdens deze jaarvergadering maakte de voorzitter bekend dat na het grote succes van 1960 een her-uniformering van het korps in 1961, niets meer in de weg stond. De bezorgde penningmeester Pier Janssen, merkte na de vergadering op: "Hoe kunt u nou zo’n mededeling doen aan de leden, wij hebben nog geen cent."

Voorzitter Van Mulken antwoordde: "Pièr, ik had van jou bijval verwacht en ik dacht dat wij samen door dik en dun gingen om het geld bij elkaar te krijgen."

Woorden moesten nu omgezet worden in daden. Het bestuur gaf zelf de eerste aanzet hiertoe na de receptie die werd gehouden ter gelegenheid van het zilveren ambtsjubileum van burgemeester Corten. Na deze receptie fungeerde het café-restaurant ‘tante Netje’ als ontmoetingsplaats van het bestuur en diverse Steinse ondernemers. Dit bij alle schippers bekende etablissement was gelegen bij de Haven. Netje zélf zorgde dat het fanfarebestuur in een ruime kring kwam te zitten tussen acht Steinse ondernemers. Vanzelf kwam het financiële probleem van de nieuwe uniformen ter sprake. Uitvoerig werd hierover gesproken. Het resultaat was dat het bestuur tevreden huiswaarts kon keren met de toezegging van de aanwezige acht ondernemers, dat zij ieder een uniform zouden schenken. Tantje Netje stond nog in twijfel. Alhoewel zij naar eigen zeggen niet zo dik in de slappe was zat, had zij in tweestrijd gestaan om de helft van een uniform bij te dragen. Nu wist zij niet of dat een broek met pet óf een jas met pet zou worden.

In overleg met echtgenoot Willem werd de knoop doorgehakt en kreeg de fanfare op deze avond haar negende uniform aangeboden.

De op 30 april 1961 koninklijk onderscheiden penningmeester Pièr Janssen kon tevreden zijn. Binnen een tijdsbestek van vier maanden was het benodigde bedrag van ƒ 15.500,- bij elkaar gehaald. Een uniformencomité onder leiding van G. van Mulken (broer van de voorzitter) en Jacq. Gorissen (vader van wnd. penningmeester) had in nauwe samenwerking met het bestuur deze uitdaging met een schitterend succes weten te bekronen.

Op zaterdag 11 november 1961 werden de nieuwe uniformen officieel overgedragen. Deze gebeurtenis vond plaats in zaal Van Dijk aan de Kruisstraat. Een muzikale rondgang door Stein besloot deze geslaagde uniformenactie. Een dag later werd een ander gedeelte van Stein muzikaal bedankt voor de bijzondere steun aan het fanfarekorps. Het uniform is een replica van het blauwe huzaren-uniform van het voormalige Nederlandse leger, versierd met witte pluimen op de uniformpet. Nog steeds wordt dit uniform door St.-Martin gedragen bij feestelijke en droeve gelegenheden.

De Nederlandse Muziekdagen

Tussen de bedrijven door werd naast het inzamelen voor nieuwe uniformen door St.-Martin gemusiceerd en gerepeteerd voor een nieuw muzikaal experiment. Van 24 tot en met 28 mei 1961 was Maastricht namelijk het middelpunt van een muzikale manifestatie waarin werd gestreefd een overzicht te geven van werk van Nederlandse componisten. De eerste dag van dit evenement, onder de titel Nederlandse Muziekdagen, was gewijd aan muziek voor blaasorkesten.

St.-Martin was present en maakte met haar vertolkingen van een viertal werken van Strategier, Ketting, Monsters en Mul grote indruk.

Het Steins korps speelde voor de pauze en liet het publiek genieten van zijn nobele en zuivere koperklank. Door de virtuoze vertolkingen dwong St.-Martin respect af. De knapste prestatie werd geleverd met het Divertimento Festivo van Otto Ketting.

Over de drie andere uitvoeringen van de fanfare waren de meningen van de critici verdeeld. Commentator J. Groen sprak in de rubriek ABC van de Regionale Omroep Zuid op 25 mei 1961 zeer positief over de fanfare. Een zinsnede uit zijn betoog:

"Men weet niet wat meer te bewonderen; het feit dat het nederige Stein een fanfare kan voortbrengen, die zo’n prachtige ronde koperklank blaast of het feit dat het veel rijker bezette harmonie-orkest van de O.N. Mijnen in zijn musiceren een exactheid, een gevoel van dynamiek en een technische vaardigheid aan de dag legt, die beroepsorkesten het kunnen benijden,"

Het was jammer dat de opkomst van het publiek op deze eerste avond van de ‘Nederlandse Muziekdagen’ zo minimaal was. Dirigent Mathieu Janssen en zijn muzikanten namen echter een terechte huldiging in ontvangst.

Het bondsconcours in Schaesberg

Amper twee weken na hun gedenkwaardig optreden in Maastricht stond men weer klaar om deel te nemen aan een bondsconcours te Schaesberg. Als verplicht werk speelde men de ‘Fanfare Ouverture’ van H. Strategier en als keuzewerken:

  1. ‘Rhapsodie in Brass’ van Dean Goffin;
  2. ‘Mouvement Symphonie’ van Marcel Poot en
  3. ’5 Epigrammen’ van G. Boedijn.

Het resultaat was 325 punten, wederom met lof van de jury. De opmerkingen
van de jury werden als volgt samengevat:

"Een glansrijke en technisch knappe uitvoering. Enkele kleine onnauwkeurigheden in het samenspel drukten het toch al hoge aantalpunten. In het keuzewerk leverde het korps nog meer klassewerk. Een stralend, machtig klankgehalte en schitterende technische vaardigheid combineerde dit topkorps met een perfect aangepaste ritmiek dat de vele toehoorders de adem deed inhouden. Het was grandioos. Bravo!"

Met dit succes groeide St.-Martin toe naar 1963, het 70-jarig bestaan. Weer stelde de familie Keulers-Vaessen aan de Steskensstraat de feestweide gratis ter beschiking.

Er werd een feestweek samengesteld van 6 tot en met 14 juli 1963 met vele zusterverenigingen, gerenommeerde orkesten en artiesten.

Op zaterdag 6 juli werden de feestelijkheden geopend met een buitengewoon concert, verzorgd door het Harmonieorkest van de Staatsmijn Emma te Treebeek onder leiding van Piet Stalmeier.

Op zondag 7 juli werd begonnen met een dank- en herdenkingsdienst, waarna een receptie in de feesttent. Een extra cachet kreeg deze huldiging door het verschijnen van burgemeester Corten die de zilveren medaille verbonden aan de Orde van Oranje Nassau, opspeldde aan Pierre Janssen bij diens 50-jarig lidmaatschap van de fanfare en voor de zeer vele verdiensten voor deze vereniging. Vermeldenswaard is dat twee mede-oprichters van de fanfare, met name Joannes Claessen en Willemke Berk, op de receptie verschenen om de jubilarissen, bestuur en leden te komen feliciteren.

Een huldiging viel tevens ten deel aan de heren Jos Janssen, 35-jarig lid en de heren Mathieu op ‘t Broek en Sjeng Houben bij hun 30-jarig lidmaatschap. Het muziekprogramma ving aan om 16.00 uur met de fanfare St. Martinus uit Itteren, harmonie St. Joseph uit Berg aan de Maas, fanfare St. Caecilia uit Puth, fanfare L’Union uit Bom en fanfare ‘De Maasgalm’ uit Elsloo. Met een groots avondconcert van de fanfare Concordia uit Einighausen werd de eerste muziekdag besloten. De feestweek van 8 tot 12 juli werd gevuld met een talentenjacht en balavonden. Bijzondere medewerking werd verleend door TV-sterren als Anneke Grönloh, Sandra Reemer, Ria Valk en vele anderen. In navolging van de concertzondag op 7 juli werd vanwege de grote belangstelling van de zusterverenigingen reeds om 15.00 uur begonnen met de concerten.

Voor een waardig slot zorgde de buur, de fanfare St. Joseph uit Meers. Het resultaat was een afgeladen volle feesttent. Praktisch alle Meersenaren waren aanwezig om hun trots te horen musiceren.

Een vereniging kan alleen blijven voortbestaan als het aanmelden van nieuwe leden, het opzeggen van het lidmaatschap overtreft of tenminste gelijke tred houdt. Het heengaan is voor een vereniging altijd pijnlijk, zeker het heengaan van Sef Janssen die na 35 jaar lidmaatschap bedankte en gedurende 23 jaar de opleiding van de aspiranten verzorgde. Stuk voor stuk groeiden deze uit tot solisten die de steun en toeverlaat waren waarop Mathieu Janssen zijn na-oorlogs korps had gebouwd.

Op 3 juni 1964 moest de fanfare voorgoed afscheid nemen van Pièr Janssen, die op die datum kwam te overlijden. Dit na 40 jaar lidmaatschap waarvan 36 jaar als bestuurslid. Een onvolprezen penningmeester die gedurende ruim 20 jaar met nauwkeurigheid de verenigingskas had bewaakt en die na de oorlog het beheer van de zaal voor zijn rekening nam. Het onderhoud van centrale verwarming, instrumentarium en uniformen zijn enkele van de vele werkzaamheden die niet alleen zijn dagen vulden. Ook die van zijn overige gezinsleden, waaronder zijn vijf zonen. Veel dankbaarheid is de fanfare aan hem verschuldigd.

Een dankbaarheid die bleek uit de grote belangstelling vanuit de bevolking en de vorstelijke teraardebestelling met een aangepast repertoire, samengesteld door zijn leermeester Mathieu Janssen. De majestueuze tonen van het ‘Judex’ aan zijn graf gespeeld, leken niet weg te sterven. Een waardig afscheid van een der groten van St. Martin.

De nieuwe Ere-voorzitter

Na het ter beschikking stellen van het Ere-voorzitterschap door burgemeester Corten, kon de wens van Pièr die hij op zijn sterfbed had geuit, in vervulling gaan en wel om de heer Mathieu Dassen in die functie te benoemen. De heer Dassen werd aangezocht en aanvaardde het Ere-voorzitterschap der vereniging.

Het bondsconcours in Hoensbroek

In 1965 waren de leden bereid zich weer ten volle in te zetten om goed voorbereid deel te nemen aan het op 12 september te Hoensbroek georganiseerde bondsconcours.

Ingestudeerd werden de werken Le retour D’Ulysse (verplicht) en Scassola in een arrangement van ZurmuhIe.Toch werd niet voldoende rekening gehouden met de studie- en examenperikelen van de jeugdige leden. De in 1960 getoonde inzet was tijdens deze voorbereidingen niet in dezelfde mate aanwezig. Toen bleek dat op hetzelfde concours op dezelfde dag zustervereniging St.-Joseph uit Meers ook deelnam, besefte men dat men om te ‘overleven’ alle muzikale zeilen moest bijzetten. Het is achteraf moeilijk in te schatten waarom St.-Martin aan dit concours deelnam. Zelf-overschatting van het eigen muzikaal niveau of onderschatting van de geduchte muzikale ‘tegenstander’, fanfare St.-Joseph uit Meers, onder leiding van de bekende dirigent Sef Pijpers.

Het resultaat voor St.-Martin was mager. Met 306,5 punten en dus een eerste prijs, kwam men weer met beide benen op de grond te staan. Fanfare St.-Joseph uit Meers werd de grote winnaar van dit concours. De wonden werden gelikt en met een licht decrescendo werd de blik gericht op de viering van het 75-jarig bestaan in 1968.

Drie-kwart eeuw fanfare St.-Martin

In de bestuursvergadering van 19 oktober 1967 werden de data van de feestelijkheden ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan vastgesteld. Deze zouden worden gehouden van 28 juni tot en met 8 juli 1968 in de feestweide van de heer J. Gorissen in een grote tent aan de Noëlweg. Het bleek een herhaling te zullen worden van de zovele malen geroemde samenwerking waarbij de oude ervaren krachten op het gebied van organiseren weer aan hun trekken kwamen.

De hoofdmoot van deze jubileumfeesten was gericht op blaasmuziek-concerten. De zaterdag 29 juni was voorbehouden aan het Harmonie-orkest van de Staatsmijnen onder leiding van Piet Stalmeier. Het werd een groots optreden van dit elite-korps.

Op zondagmorgen 30 juni 1968 kwam de jubilerende vereniging om 07.30 uur tezamen aan de zaal om hierna de Beschermheer en Ere-voorzitter aan huis af te halen en te begeleiden naar de Heilige Mis van 08.30 uur. Deze werd opgedragen om de overleden en levende leden te gedenken. Vervolgens werd om 09.45 uur een bezoek gebracht aan de Gemeentelijke Begraafplaats. Na een gezamenlijk ontbijt in de feesttent volgde om 11.30 uur de huldiging van de jubilarissen.

Als jubilarissen werden gehuldigd: Mathieu Janssen 50 jaar – Pierre Janssen 55 jaar – Math op ‘t Broek 35 jaar -Harie van Musch 35 jaar – Pie Goossens 25 jaar. Alle ere-leden waren uitgenodigd om zowel van de huldiging getuige zijn als ook om de receptie bij te wonen en mede de gelukwensen in ontvangst te nemen. Om 17.00 uur vingen de concerten aan. Nadat St. Martin had geopend met het Wilhelmus, gevolgd met goede optredens van diverse zusterverenigingen, presenteerde zich de fanfare St. Martinus uit Urmond met een genotvol avondconcert. De hierop volgende balavond werd verzorgd door de kapel onder leiding van Pie Goossens. Zaterdag 6 juli en zondag 7 juli 1968 was voorbehouden aan de liefhebbers van de blaasmuziek. De fanfare St. Joseph uit Meers onder leiding van Sef Pijpers presenteerde – voor een volle tent – een programma om met volle teugen van te genieten. Het programma van de zondag volgde met eveneens zeer goede muziek door vele zusterkorpsen. Het soloconcert kwam voor rekening van de vier maal met de Oranje wimpel bekroonde fanfare ‘De Maasgalm’. Dit buitengewoon goed voorbereid concert werd met een daverend applaus beloond.

Deze in alle opzichten geslaagde feestweek betekende een gedegen ondersteuning van de idealen welke een bestuur en leden bezielen ter instandhouding en verbreiding van de muziekkunst.

Nauwelijks waren de laatste klanken van het muziekfestijn verstorven, toen op 12 september 1968 een ontroostbare Mathieu Janssen de ontstellende mededeling deed, dat hij om medische redenen met onmiddellijke ingang zijn functie als dirigent van zijn drie geliefde korpsen moest beëindigen. Ook St.-Martin ontkwam hier niet aan. Dit was het einde van een muzikale loopbaan bij drie korpsen.

In 39 jaar kwam ziekte of verzuim niet in zijn agenda voor. Een muzikaal genie die op het toppunt van zijn roem, volkomen ontroostbaar, zijn weg geblokkeerd zag.

Het einde van een toonkunstenaar die bij elk instrument een toon en klank wist te ontwikkelen, individueel of in samenspel. Alle juryleden in den lande waardeerden hem met respect. Een dirigent die klank en kleur wist te brengen in de zo beperkte mogelijkheden die fanfaremuziek te bieden heeft.

St. Martin dat 39 jaar lang had geprofiteerd van zijn kennis, inzet en karakter, stond opnieuw voor een diep dal. Vele begaafde muzikanten, vastgeroest aan het ‘systeem Janssen’, zijn wijze van musiceren, opvatting en toewijding, voelden zich verlaten. Zij zouden niet zomaar de eerste de beste opvolger accepteren.